Nieuws

75 jaar Molukkers in Nederland

Terug naar nieuws

Thuis in Appingedam: 75 jaar Molukkers in Nederland

Het regende in Rotterdam toen de eerste schepen aankwamen. Aan boord stonden mannen in uniform, met kinderen op de arm en koffers vol met alles wat er nog over was van een leven op de Molukken. Ze kregen te horen dat hun dienst bij het Nederlandse leger voorbij was. Diezelfde dag nog. Het voelde als een klap, na alles wat ze hadden gegeven.
Dat was 1951. Dit jaar is het 75 jaar geleden. En nergens in Nederland is dat verhaal zo zichtbaar gebleven als in Appingedam.



Een belofte die niet werd gehouden

De Molukse militairen hadden gevochten voor Nederland, eerst tegen de Japanners, later tegen de Indonesische onafhankelijkheidsstrijders. In ruil daarvoor was hun een vrije Republiek der Zuid-Molukken beloofd. Toen Nederland in 1949 de soevereiniteit over Indonesië overdroeg, werd die belofte niet ingelost. Sterker nog, onder de nieuwe Indonesische regering van Soekarno werden de Molukse KNIL-militairen als een bedreiging gezien.
Er moest een oplossing komen. Demobiliseren op Java kon niet, dat zou betekenen dat er getrainde soldaten tegenover het nieuwe Indonesische leger kwamen te staan. Op 25 april 1950 riepen de Molukkers op Ambon de onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken uit, maar Indonesië erkende die staat niet. Uiteindelijk besloot Nederland in 1951 om de militairen en hun gezinnen naar Nederland te halen. Op dienstbevel, niet uit vrije wil. De gedachte was dat het maar zes maanden zou duren.
Het werden 75 jaar.

Barakken aan de rand van het land

Ruim twaalfduizend Molukkers kwamen tussen maart en juni 1951 aan in Rotterdam en Amsterdam. Ze werden verspreid over het land in voormalige kampen, vaak plekken met een beladen geschiedenis. Een deel kwam terecht in Mantinge, bij Westerbork. Vanaf 1 september 1953 kregen ook ruim driehonderd Molukkers, afkomstig van Ambon, een onderkomen in de Carel Coenraadpolder, aan de rand van Groningen. Dat kamp had eerder dienstgedaan als werkkamp voor werklozen en als strafkamp voor NSB'ers.
De Molukkers bouwden er hun eigen wereld op. Een barak werd kerk, een andere ziekenzaal, weer een andere school. Er kwam een eigen voetbalelftal en een fluitorkest. Ondanks de armoede en het geïsoleerde bestaan, voelde het kamp voor velen vertrouwd. Het leek een beetje op het dorpsleven op Ambon.
Die vertrouwdheid hield niet lang stand. Eind jaren vijftig besloot de Nederlandse regering dat terugkeer naar de Molukken niet meer realistisch was. Er moesten permanente woningen komen, en de Molukkers moesten integreren. Appingedam kreeg de primeur: hier kwam de allereerste Molukse woonwijk van Nederland, rond de Adamistraat.
Niet iedereen ging vrijwillig. De bewoners van de Adamistraat vertrokken zelf uit de Carel Coenraadpolder, maar de laatste groep werd eind december 1961 door dertig gewapende rijkspolitiemannen gesommeerd het kamp te verlaten. Ze weigerden en trokken zich terug in hun kerk. Namens de vrouwen werd de politie gesmeekt om te mogen blijven, desnoods met het uiterste gevolg. Het mocht niet baten. Diezelfde middag nog stapten de bewoners, in tranen, in de bussen naar hun nieuwe rijtjeshuizen in Foxhol. Van het kamp in de polder bleef niets over.



De Adamistraat en de kerk

De nieuwe wijk in Appingedam werd het hart van de Molukse gemeenschap in Nederland. Op de hoek van de Harkenrothstraat en de George van Saksenlaan verrees in 1960 een kerkgebouw, ontworpen door architect Jan Martini. Bewust laag en langwerpig, met houten spanten die onbedekt bleven. De vorm verwees naar de barakken waarin de gemeenschap negen jaar had gewoond, maar ook naar de eenvoudige dorpskerken op de Molukken zelf. Boven op het dak kwam een dakruitertje met stalen kruis, zodat niemand kon twijfelen aan de functie van het gebouw.
De kerk kreeg de naam Eben Haëzer, steen der hulp, ontleend aan een bijbeltekst die vertelt dat God tot dan toe geholpen heeft. Het is de oudste Molukse kerk van Nederland en staat er, op een grondige restauratie in 2017 na, vrijwel ongewijzigd bij. In 2020 werd het gebouw als eerste kerk in Noord-Nederland volledig aardbevingsbestendig gemaakt.

Verbroedering op het voetbalveld

De integratie verliep niet vanzelf, maar sport en muziek bleken al snel verbindend. In Appingedam had je Mawar, de voetbalclub van de Molukkers, die later opging in CZN. Wie tegen Mawar speelde, stond niet alleen tegenover elf spelers, maar tegen een hele tribune enthousiaste supporters. Ook volleybal, badminton en dammen brachten Damsters en Molukkers samen.
Het uitgaansleven deed de rest. In café Het Wapen van Leiden ontstonden de eerste contacten tussen Molukse jongeren en Damster leeftijdgenoten, al bleef het voor de eerste generatie thuis vaak streng. Meisjes moesten om acht uur binnen zijn en omgang met Nederlandse jongens lag gevoelig. Toch groeide, generatie na generatie, de verwevenheid met de Damster gemeenschap.

Spanning in de jaren zeventig

De jaren zeventig brachten een andere kant van het verhaal. De treinkapingen bij Wijster en De Punt en de bezetting van de school in Bovensmilde zetten heel Nederland op scherp, en ook de Damster Molukkers voelden de druk. Niet iedereen wist precies wat er speelde binnen de RMS-beweging, maar de impact was voor de hele gemeenschap voelbaar. Sommigen werden op straat en op het werk aangesproken op daden waar ze part noch deel aan hadden.
Appingedam radicaliseerde niet zoals Bovensmilde dat deed. Toch moesten families vaak schipperen tussen loyaliteit aan hun gemeenschap en het besef dat geweld niet de weg was. Het onderwerp lag gevoelig en werd binnenskamers gehouden. Praten over onenigheid gold niet als gepast, dat hoorde niet bij de Molukse omgangsvormen.

Van stille pijn naar zichtbare trots

De eerste generatie droeg haar verlies en haar teleurstelling vaak in stilte. De tweede generatie groeide op tussen twee culturen, streng thuis, vrijer daarbuiten. Bij de derde en vierde generatie is dat beeld veranderd. Zij groeiden op middenin de Nederlandse samenleving en wonen allang niet meer alleen in de Adamistraat, maar verspreid over de hele Eemsdelta en daarbuiten.
Daarover sprak ik deze week met Joop Hallatu, lid van de kerkraad van de Eben Haëzerkerk en beheerder van de website. Hij ziet in die jongere generatie iets bijzonders ontstaan: een hernieuwde behoefte aan onderlinge verbinding. Niet omdat de integratie mislukt is, die is juist compleet, maar omdat er iets gemist wordt. De jongere Molukkers zoeken hun wortels weer op en willen elkaar opnieuw vinden.
De kerk speelt daarin een centrale rol, en niet alleen op zondagochtend. Volgens Hallatu is de Eben Haëzerkerk voor de gemeenschap meer dan een gebouw om te bidden. Het is de plek waar mensen elkaar ontmoeten, bij bingoavonden, bij pasar malam feesten, bij muziek en gospel. Precies zoals de kerk dat 65 jaar geleden ook al was, alleen dan voor een generatie die net was aangekomen. Nu is het een generatie die de weg terug zoekt naar elkaar.
Van de barakken in de Carel Coenraadpolder tot de Adamistraat, van de spanningen in de jaren zeventig tot de bingoavonden van vandaag: het verhaal van de Molukkers in Appingedam is 75 jaar lang blijven veranderen. Wat overeind is gebleven, is de kerk aan de Harkenrothstraat, en de wil om samen te blijven komen.

Bronnen

Dit verhaal is tot stand gekomen door verschillende online bronnen te raadplegen, o.a.: